The English, American or U.S. (United States) Flag De Nederlandse Vlag, de vlag van Nederland

HTML Elementen - <applet>

Dit element is verouderd sinds HTML 4.01. Dat betekend dat je hem nog wel in een transitional of frameset-doctype kunt gebruiken, maar niet meer in een strict-doctype. Je moet nu het object-element gebruiken in plaats van applet.

Inhoud:

Beschrijving - de tag <applet>:

Hiermee kun je een Java-applet insluiten in de webpagina. Je kunt ook parameters toevoegen door param-elementen toe te voegen aan de inhoud van het applet-element (tussen <applet> en </applet>). Je kunt ook andere elementen en tekst tussen <applet> en </applet> plaatsen, maar die zal alleen zichtbaar zijn als de browser het element niet ondersteund, of als het applet om een andere reden niet wordt uitgevoerd.

Er zijn 2 attributen verplicht: width en height. Daarmee kun je de grootte van het applet instellen.

Naar boven...
Informatie:
HTML 4.0 DTD: transitional, frameset
Beëindiging: (Sluittag) verplicht
Inhoud:

Andere Elementen:

param

Elementen op blokniveau:

address, blockquote, center, dir, div, dl, fieldset, form, hr, hx, isindex, marquee, menu, multicol, noframes, noembed, noscript, ol, p, pre, table, ul

Inline Elementen:

a, abbr, acronym, applet, b, basefont, bdo, big, blink, br, button, cite, code, dfn, em, embed, font, i, iframe, img, input, kbd, label, map, nobr, object, q, s, samp, script, select, small, span, strike, strong, sub, sup, textarea, tt, u, var, wbr
Mag zijn opgenomen in:

Andere Elementen:

caption, dd, del, dt, ins, legend, li, td, th

Elementen op blokniveau met uitzondering van dir, dl, menu, ol, pre, table, ul:

address, blockquote, center, div, fieldset, form, hr, hx, isindex, marquee, multicol, noframes, noembed, noscript, p

Inline Elementen met uitzondering van map, script, select, textarea:

a, abbr, acronym, applet, b, basefont, bdo, big, blink, br, button, cite, code, dfn, em, embed, font, i, iframe, img, input, kbd, label, nobr, object, q, s, samp, small, span, strike, strong, sub, sup, tt, u, var, wbr
Mag niet zijn opgenomen in: De overige elementen
Vereiste attributen: height, width
Inline Element: Ja
Element op blokniveau: Nee
Naar boven...

Ondersteuning:

HTML: 3.2
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 2.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5
Naar boven...

De attributen van <applet>:

Attribuut Ondersteuning Beschrijving
Algemene Attributen:
class
HTML: 4.0
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 4.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Met het class-attribuut kun je elementen groeperen in verschillende groepen (classes = klassen). Dat is handig, want dan kun je bijvoorbeeld met CSS per groep aangeven hoe de elementen eruit moeten zien.

Je kunt meerdere groepen opgeven, door ze te scheiden met een spatie. Bijvoorbeeld: class="groep1 groep2 groep3". In dat voorbeeld zal het element ingedeeld zijn in 3 groepen: groep1, groep2 en groep3. Je moet er dan wel rekening mee houden dat meerdere groepen niet worden ondersteund door Internet Explorer 4 en lager en Netscape 4.

Een class-name (groepsnaam) is hoofdlettergevoelig (alleen Internet Explorer houdt zich daar niet aan, bij Internet Explorer zijn classnamen hoofdletterongevoelig). Dat betekend dat groep1, Groep1 en GROEP1 drie verschillende groepen zijn.

De meeste browsers ondersteunen alleen classnamen waar alleen letters (zowel A t/m Z als a t/m z), cijfers (0 t/m 9) en verbindingsstreepjes (-) in voorkomen.

dir
HTML: 4.0
Internet Explorer: 5.0
Netscape: 6.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 7.20

Met het dir-attribuut geef je de tekstrichting aan. Je kunt kiezen uit ltr (left to right, van links naar rechts), of rtl (right to left, van rechts naar links). Standaard (waneer hij niet is opgegeven) is hij ltr. Het dir-attribuut kan bijvoorbeeld handig zijn als woorden uit een taal die in een andere richting worden geschreven (bijvoorbeeld Arabisch) van de standaardtaal van het document.

id
HTML: 4.0
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 4.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Door het id-attribuut kun je elementen identificeren. Een id is dus uniek. Dat betekend dat je geen 2 elementen kunt hebben die hetzelfde id hebben, anders is het geen identificatiekenmerk meer. Een id mag ook niet hetzelfde zijn als een name-attribuut bij een <a>-tag, behalve wanneer het name-attribuut en het id-attribuut gebruikt worden voor hetzelfde element, dan moet het name-attribuut en het id-attribuut juist hetzelfde zijn.

Je kunt id's gebruiken in combinatie met CSS Stylesheets. In CSS is een id te gebruiken als selector. Je kunt dan een element met een bepaald id een bepaalde style geven.

In scripts is een id ook te gebruiken als identificatiemiddel. In Javascript bijvoorbeeld, is een element met als id 'Pietje' bijvoorbeeld als volgt op te vragen: document.getElementById('Pietje').

Een id is hoofdlettergevoelig (maar bij Internet Explorer niet, daar is een id hoofdletterongevoelig). Dat wil zeggen dat id1, Id1 en ID1 drie verschillende id's zijn.

Een id moet altijd beginnen met een letter (A t/m Z, of a t/m z). Na de eerste letter mag je in een id letters (A t/m Z, of a t/m z), cijfers (0 t/m 9), verbindingsstreepjes (-), underscores (_), dubbele punten (:) en punten (.) stoppen. Het is echter aan te raden om geen underscores (_), dubbele punten (:) en punten (.) in een id te stoppen, aangezien veel browsers die niet ondersteunen.

lang
HTML: 4.0
Internet Explorer: 4.0
Netscape: 6.1
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: -

Met het lang-attribuut kun je aangeven in welke taal (lang = language = taal) een tekst is geschreven. Browsers gebruiken het bij bijvoorbeeld het afbreken van woorden, de weergave van letters, het kiezen wat voor soort aanhalingstekens er moeten zijn, en bijvoorbeeld of er een komma of een punt bij getallen moet worden geschreven. Ook gebruiken zoekmachines het, om te bepalen in welke taal de inhoud is geschreven. Tekst-naar-spraak programma's gebruiken het ook, om te bepalen hoe de tekst uitgesproken moet worden.

Het lang-attribuut is altijd van de vorm lang="taal". Daarbij is 'taal' de taal waarin het document geschreven is. 'Taal' is de afkorting van de taal, bijvoorbeeld nl voor Nederlands, en voor Engels, en-US voor Amerikaans Engels, fr voor Frans, de voor Duits, it voor Italiaans, es voor Spaans, tr voor Turks en ar voor Arabisch.

style
HTML: 4.0
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 4.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Met het style-attribuut kun je inline CSS toevoegen aan een element. Inline CSS van het style-attribuut gaan boven CSS uit een externe stylesheet.

title
HTML: 2.0
Internet Explorer: 4.0
Netscape: 6.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.0

Met title (titel) kun je extra informatie (een titel) geven aan een element. De meeste browsers weergeven dit als een tooltip (schermtip) boven de tekst. Als je bijvoorbeeld over deze tekst heen gaat met de muis, zul je waarschijnlijk een tooltip krijgen met 'Dit is een title-attribuut' daarin.. Zo kun je bijvoorbeeld een tekst een schermtip geven: <span title="Schermtip">Tekst</span>. Dit is vooral handig zijn bij hyperlinks (bijvoorbeeld om de gebruiker informatie te geven waar hij naartoe gaat), en voor uitleg van afkortingen.

Je kunt een stylesheet een naam geven door het title-attribuut toe te voegen aan een style-element. Dit geldt ook voor link-elementen.

Veel oudere browsers ondersteunden het title-attribuut wel, maar lieten hem niet zien. Internet Explorer 4.0 en hoger, Mozilla, Netscape 6.0 en hoger en Opera 5.0 en hoger laten hem wel als schermtip zien.

archive
HTML: 4.0
Internet Explorer: 4.0
Netscape: 3.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Je kunt bestanden laten pre-loaden met het archive-attribuut. In een archive-bestand kunnen andere classes en resources zitten. Zo'n archive-bestand zal worden geladen door middel van een instantie van een AppletClassLoader, waarbij er ook rekening zal worden gehouden met de gegeven codebase. Ook relatieve URI's kunnen worden opgegeven. Het pre-loaden (voor-laden) van applets en resources kan een behoorlijke snelheidswinst betekenen. Het beperkt de downloadtijd ook behoorlijk, want alle benodigde bestanden kunnen in 1 keer aangevraagd worden (1 request). Een archive-bestand kan een Java Archive (een *.jar-bestand, Java ARchive) of een ZIP-bestand zijn. Het is ook mogelijk om meerdere archives te laten pre-loaden, door ze allemaal komma-gescheiden op te geven. Het bestand dat door het code-attribuut is aangegeven, mag zich ook in het archive-bestand bevinden.

code
HTML: 3.2
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 2.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Met het code-attribuut geef je de naam van het classbestand (java-applet) die het gecompileerde class-bestand bevat, of het directe path naar de class. Er wordt rekening gehouden met het codebase-attribuut bij het bekijken van het code-attribuut. Het is verplicht om het code-attribuut of het object-attribuut aan te geven, of beide als ze naar hetzelfde class-naam verwijzen.

codebase
HTML: 3.2
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 2.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Met het codebase-attribuut geef je een basis-directory aan. Je mag alleen een waarde opgeven die de huidige directory of een sub-directory is. Hier heeft het W3C voor gekozen vanwege de beveiligingrisico's. De standaardwaarde (de waarde voor als hij niet is aangegeven) is dezelfde basis-URI als die van het huidige document.

name
HTML: 3.2
Internet Explorer: 3.0
Netscape: 2.0
Mozilla: 1.0
Firefox: 1.0
Opera: 3.5

Met het name-attribuut geef je een naam aan een java-applet. Door een naam op te geven maak je het mogelijk om java-applets elkaar te laten zoeken, en met elkaar te communiceren. De naam kan ook worden gebruikt in scripts. De naam is hoofdlettergevoelig, en moet uniek zijn. Verder mag je ook id gebruiken, maar alleen als id en name hetzelfde zijn.

object
HTML: ?
Internet Explorer: ?
Netscape: ?
Mozilla: ?
Firefox: ?
Opera: ?

Met dit attribuut kun je een resource aangeven die een serialized representation van de status van het applet bevat. Ook dit attribuut houdt rekening met het aangegeven codebase-attribuut. De serialized data bevat de applet's class-name, maar niet z'n implementation (implementatie). Voor de implemetation wordt de class-name gebruikt om het bestand te vinden uit het class-bestand of uit het archive-bestand.

Wanneer een applet weer wordt deserialized (gedeserializeerd), wordt de start()-methode aangeroepen, maar de init()-methode niet. Ook attributen van de originele applet worden niet hersteld. De attributen van de huidige applet-tag worden in plaats daarvan gebruikt. Programmeurs moeten hier erg voorzichtig mee zijn, en een applet moet altijd eerst gestopt worden voordat hij wordt serialized. Het is verplicht om het code-attribuut of het object-attribuut aan te geven, of beide als ze naar hetzelfde class-naam verwijzen.

Naar boven...

Voorbeelden:

Voorbeeld:
<!--
    Hier staan een paar voorbeelden op de oude manier (met het applet-element), en op de nieuwe manier (met het object-element):
-->
<!--
    Oude manier (niet aanbevolen):
-->


<applet code="applet.class" width="100" height="100">
    Java-object dat applet.class weergeeft.
</applet>
<!--
    Nieuwe manier (aanbevolen):
-->


<p>
    
<object codetype="application/java" classid="java:applet.class" width="100" height="100">
        Java-object dat applet.class weergeeft.
    
</object>
</p>
<!--
    Parameters
-->

<!--
    Oude manier (niet aanbevolen):
-->

<applet code="applet.class" width="100" height="100">
    
<param name="parameter" value="waarde" />
    Java-object dat applet.class weergeeft.
</applet>
<!--
    Nieuwe manier (aanbevolen):
-->


<p>
    
<object codetype="application/java" classid="java:applet.class" width="100" height="100">
        
<param name="parameter" value="waarde" />
        Java-object dat applet.class weergeeft.
    
</object>
</p>
Naar boven...

Bronnen:


Was deze informatie nuttig? Zo ja, overweeg dan een linkje op uw website te plaatsen:
Bedankt!